RPG > RPG

Het RPG verhaal!

(1/1)

ZweinsteinOnline:
1900. Het was alweer twee jaar geleden dat Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus Pocus werd heropend. Nu heerst er weliswaar opnieuw een sfeer van vrede en rust, onder leiding van het alziende oog van de wakende staf, maar een aantal jaren terug was niets minder waar.


De leerlingen van Zweinstein verorberden hun lunch, lacherig en broederlijk, toen plotseling de enorme deuren van de Grote Zaal open vlogen. Iedereen staakte het eten en het praten, en het werd er stil, zo stil, dat ieder zijn adem inhield. Het schoolbestuur betrad de Zaal in een te keurige rij, met het hoofd van het schoolbestuur voorop, en hij begon te spreken, als het verraderlijke krijsen van een enkele meeuw in het oog van een storm. “Alle leerlingen gebied ik nu naar de Leerlingenkamers. Het is ten strengste verboden deze te verlaten zonder toestemming van Afdelingshoofd. De Hoofdmonitoren behoeven de leerlingen op de Leerlingenkamer te houden.”

Er ontstond een chaos van jewelste, welke nog werd overstemd door de om zich heen grijpende geruchten. “Het Schoolhoofd is in gevaar!” “Het Genootschap heeft vrij spel!” Toch werden alle leerlingen bedwongen en naar de veilig ruimten gebracht. Voor wie weet hoe lang deze dreiging van het Genootschap, een samenkomst van Duistere tovenaars, het Kasteel Zweinstein, en de hele Magische samenleving, zal teisteren…

Proserpina:
Zweinstein’s Tragedie

Met een doffe dreun landde Gianna’s hand, gevormd tot een vuist, op haar bureau, het potje met zwarte inkt omstotend. De Ganzenveer liet ze uit haar grip vallen en vanonder haar betraande wimpers keek ze toe hoe de veer neerdwarrelde in de plas van ondoorzichtige, zwarte vloeistof. De sneeuwwitte kleur werd langzaam ingenomen door de zich uitbreidende inkt. Gianna wenste er niet naar te kijken en wendde haar blik terug naar het stuk geelachtig perkament dat voor haar lag. De letters tolden voor haar ogen als ware het spoken en opnieuw perste ze haar oogleden zo ver mogelijk in haar jukbeenderen. Als ik had geweten dat het mij zo zwaar zou vallen…, waren Gianna’s bittere gedachten terwijl ze haar stoel naar achteren schoof opdat ze kon opstaan. Wellicht dat het weldra makkelijker zal gaan, als ze wat meer ontspannen was en met een frisse en moedige geest verder kon schrijven. Gianna liep met trage pas richting haar raam en leunde met haar handen op de vensterbank. Toen ze naar buiten keek, voelde ze de jonge stralen van de lentezon op haar gezicht schijnen en zag ze dat de witte sneeuw definitief plaats had gemaakt voor het gezonde groen. Verbeeldde ze het zich maar, of kon ze zelfs de zangvogels weer horen fluiten, en de bloesem reeds ruiken? Gianna voelde dat haar tranen op haar wangen waren opgedroogd toen er een glimlach om haar mond verscheen. Langs het Meer zag ze namelijk Merlyn lopen, haar mooie dochter, met onder haar arm een boek, zoals gewoonlijk. Wat was ze trots op haar meisje! Ze was zo leergierig en daarnaast zo’n voorbeeldig kind. Gianna volgde haar bewegingen, hoe ze aanstalten maakte te gaan zitten in het gras, maar zich plotseling omdraaide en haar armen uitstrekte, naar een jonge heer met donkere haren, die het meisje liefdevol in zijn armen nam. Het ontroerde Gianna om haar lieve dochter en haar knappe verloofde zo te mogen mee maken, en dat zij degene was, die hen heeft doen geloven in geluk. Een gedachte die haar door de jaren heen heeft geslagen, door de jaren die gevuld waren met ongeluk en verderf.
 
Schimmen. Dood.
 
Het Terrein heeft er niet altijd zo prachtig bij gelegen als het nu ieders ogen streelde. Sterker nog, deze aanblik was nog betrekkelijk jong, of een schim uit wat een ver verleden leek. Er was een tijd, waarin het niet verzorgd kon worden, noch door mensenkracht, noch door de magische werking van de natuur zelf. Een duistere sfeer had zich over het Kasteel Zweinstein ontfermd, welke pijn en verdriet zaaide onder de bewoners, de dieren en de planten. De frisse zon echter, was nu sterk genoeg om dit weg te wassen, waardoor het leek alsof de donkere tijd lang geleden was geweest. In werkelijkheid leefde men drie jaar geleden nog in wanhoop of de Magische Wereld zou escaleren.
 
Tranen. Nooit.
 
Gianna zuchtte. Het beeld van haar dochter en aanstaande man had haar goed gedaan; het was nu tijd om het verhaal, dat ze aan het schrijven was, af te ronden. Toen ze achter haar bureau had plaats genomen, liet ze haar vingers over het perkament glijden. Het vertoonde bobbels, veroorzaakt door de tranen die ze zojuist niet voor zichzelf had kunnen houden, maar de woorden waren nagenoeg nog leesbaar. Gelukkig. Ze zou niet opnieuw willen beginnen. Maar het was belangrijk dat anderen hiervan zullen weten. Het zullen begrijpen. En het niet meer zullen vergeten. Deze gebeurtenis mocht namelijk niet nogmaals voorkomen, nooit, en het was Gianna’s karakter de jonge tovenaars – en de oude – erover in te lichten, ze voor te bereiden en het hen zo onvergetelijk te brengen dat zij nooit zo’n fout op hun geweten zullen hebben.
 
Puur bloed. Zuiver.
 
Met haar wijsvinger raakte Gianna voorzichtig haar Ganzenveer aan, alsof ze bang was de veer kapot te maken. De veer leek echter vast gelikt te zijn door de inkt en ze trok haar hand terug. Haar gedachten liet ze behoedzaam terugkeren naar het verhaal dat ze aan het schrijven was. Het ging over een groep van tovenaars, waarvan de leden een aantal kenmerken gemeenschappelijk hadden, namelijk het vermogen om te toveren en twee ouders die dat konden. Hun gemeenschappelijke idee was, dat zij vanwege het laatst genoemde feit zichzelf konden onderscheiden van de anderen die zich tovenaars noemden. Zij droegen namelijk geen puur bloed met zich mee en konden zich dan ook niet lid noemen van de groep. Zuiver bloed was immers gewenst. Dit bracht de groepering op een nieuwe gedachte: de Toverwereld verschonen naar Puurheid. De groep kreeg een naam, namelijk ‘het Genootschap der Eeuwige Duisternis’, gebaseerd op de enige wijze waarop zij haar politiek kon uitvoeren. Naar mate het Genootschap groeide in aantal leden, groeide ook de hoeveelheid misdaden die zij beging. Onschuldigen – maar in hun ogen miskleunen – werden gepijnigd, gemarteld, naar hun zijde gedwongen of zelfs gedood, beginnend in Midden Europa, maar niet veel later werd er door het Genootschap in heel de wereld gejaagd op Modderbloedjes en zelfs op Halfbloeden, die immers ook niet puur bevloeid waren met het magische geslacht. Men werd bang en sedert lange tijd was er niet zoveel activiteit geweest van Schouwers. Eén voor één werden Genootschapsleden ontmaskerd, waaronder mr. Nohan Azzouz, mv. Lidia Veenstra en mr. Randay Hurray.
 
Aanslag. Moorden. Verraad.
 
Azzouz werd op heterdaad betrapt tijdens een race voor Vliegende Tapijten op het WK. Hij had een aanslag voorbereid waarbij veel mensen om zouden komen, als de Schouwers daar niet op tijd achter waren gekomen.
Veenstra was kleuterjuf voor kinderen waarvan één van de ouders tovenaar was of waarvan één van de ouders halfbloed of ‘modderbloed’ was. Ze was al verantwoordelijk voor verscheidene moorden op jonge kinderen toen ze werd aangehouden, de Elixer van Levende Dood schenkend aan de kleuters.
Hurray was barman van de Lekke Ketel in Londen. Op die positie kon hij zeer gemakkelijk informatie verzamelen over de tovenaars en ook die informatie gemakkelijk doorspelen naar Genootschapsleden. Op deze manier verraadde Hurray professor Poly Deuvekater.
 
Vermist. Aanval.
 
Gianna slikte de brok die haar keel belemmerde weg toen ze het laatste gedeelte over professor Poly Deuvekater las. Poly Deuvekater was lerares voor Transfiguratie. Zelf was Gianna op dat moment professor Waarzeggerij en zij was geschrokken van het bericht dat professor Deuvekater vermist werd. Het was professor Felix Meir, het Schoolhoofd, die een aantal maatregelen nam. Hij riep de hulp van de Schouwers in, die ook binnen de school zouden blijven opereren. Tevens stelde hij professor Fiacra Shedford aan als leraar Transfiguratie en als conciërge. In de tussentijd begon het gevaar Zweinstein steeds meer te naderen. Zelfs in het nostalgische en magische dorpje Zweinsveld werden razzia’s gedaan door de Genootschapsleden, hongerig naar nieuwe slachtoffers van hun ideale maatschappij. In 1892 was het dan zover. Ondanks alle bescherming die het kasteel genoot, werd er een aanval gedaan op Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus Pocus. Later bleek dat de voormalige conciërge ook een schakel had met het Genootschap, evenals twee leraren van Zweinstein. Dit waren mr. Hui Wang, professor Gwen Filis, van Astronomie en professor Fréderic Menetrier van Toverdranken. Wang en Filis werden na een tijd van gevechten door de Schouwers naar Azkaban gestuurd, maar de duels gingen door. Menetrier moest immers nog gevangen genomen worden en inmiddels waren er dankzij het werk van de infiltranten al enkele Genootschapsleden in het Kasteel.
 
Gevaarlijk. Sectus Sempra.
 
Pijnlijk scherp kwamen de gebeurtenissen op Gianna’s netvlies. De gezichtjes van de leerlingen waren verbleekt van angst en hun ogen stonden verschrikt. Sommigen vielen stil en sloegen hun ogen neer, terwijl anderen huilden en Gianna probeerde er zo goed mogelijk voor hen te zijn terwijl er in het Kasteel door de Schouwers en enkele leerkrachten werd gevochten tegen de aanhangers van het Kwaad. In haar armen hield Gianna een klein meisje met gevlochten, donker haar, dat jammerde:
“Professor del’Castro? Komt papa mij hier vandaan halen?”
Gianna drukte het meisje tegen zich aan en probeerde een gevoel van warmte naar haar uit te stralen.
“Het is gevaarlijk voor papa om hierheen te komen. Maar zolang je hier blijft, ben jij veilig en zolang papa niet hier komt, is hij ook veilig.”, fluisterde Gianna terwijl ze de tranen van de bleke wangetjes veegde. Het meisje knikte radeloos en kroop tegen Gianna aan. Ineens voelde Gianna een steek in haar zij en ze moest naar lucht happen om vers zuurstof in haar longen te krijgen. Het meisje sprong van haar vandaan toen Gianna opstond vanuit haar kleermakerszit en zich vasthield aan de rugleuning van een stoel. Zachtjes hoorde ze haar adem razen en ze sloot voor een moment haar ogen. Onwillekeurige gedachten vlogen langs haar beeld. Het was professor Felix Meir. Hij stond in zijn woning, samen met zijn dochtertje. Professor Meir hield net pauze van zijn patrouilles om de zaak te controleren en speelde ter afleiding een potje toverschaak met zijn dochtertje. Het volgende wat Gianna zag, was dat er iemand voor de deur stond. Iemand geheuld in een lange, zwarte mantel, met zijn kap ver over zijn gezicht getrokken, zodat hij onherkenbaar was – onherkenbaar als persoon, maar onbetwistbaar een lid van het Genootschap.
“Hallo, mooie meid.”, klonk de grauwe stem akelig luid door de hal van de woning.
“Jantine, kom hier.”, beval professor Meir en terwijl hij naar voren liep om voor haar te gaan staan, trok hij zijn toverstok.
“Hoe durft u mijn dochter zodanig te benaderen!”, riep hij ziedend. Het verbijsterde hem dat de man tegenover hem slechts schril kon lachen.
“Over uw dochter heeft u niets meer te zeggen. Over uw leven evenmin.”
“Papa - ”
“Menetrier.” Professor Meir had eindelijk de stem herkend en richtte zijn staf op zijn voormalige Staflid, maar hij was te laat. Tegelijkertijd sprak Menetrier “Sectus Sempra!” en het laatste wat professor Meir hoorde, was het gekrijs van zijn dochter en het gekakel van de akelige lach van Menetrier. Hij voelde hoe zijn lichaam op de grond zakte en hij in een plas kwam te liggen, wat zijn kleding doorweekt maakte. Het laatste wat hij rook was bloed en het laatste wat hij dronk was bloed. Het laatste wat hij zag waren de schoenen van Menetrier, die zich verplaatsten naar de deur, een spoor van rode voetstappen in de hal achterlatend.
 
Plan. Leven.
 
“Professor del’Castro! Professor del’Castro?!”
Gianna haalde diep adem en het eerste wat ze rook en proefde, was bloed. Haar ogen schoten open en ze krabbelde overeind.
“Pro-professor Meir…”, hoorde ze haar eigen stem ratelen en haar benen lieten haar lopen, de kinderen in de Grote Zaal verlatend. Na wat nog geen twee tellen later leek opende ze de deur van het kantoor van professor Meir en ze deed zonder erover na te denken haar verhaal aan hem. Het visioen had hem duidelijk verschrikt, maar zo’n goed schoolhoofd als hij was bleef hij kalm en bedacht hij, samen met Gianna, nieuwe maatregelen voor de veiligheid van de kinderen. De kinderen mochten vanaf nu de Grote Zaal niet uit en mochten alleen onder begeleiding van Hoofdmonitoren of het Afdelingshoofd naar hun slaapzalen in de Leerlingenkamers. De plannen waren nuchter, maar drastisch. Het naderende gevaar leek plotseling heel dichtbij. Het plan werkte goed. Al gauw zorgden de Schouwers ervoor dat Zweinstein vrij was van Genootschapsleden en er was zelfs sprake van een periode waarin het kasteel weer in zijn nostalgische vrede leefde. Het gras groeide weer groen en de Hippogriefen graasden daar dankbaar op. In Zweinsveld herbouwde zich de oorspronkelijke harmonie en het leven leek weer verder te gaan zoals het altijd al was gegaan.
 
Schreeuw. Bloedrood.
 
Op één mooie nacht echter, een nacht zo helder als het in jaren niet geweest was en de maan zo puur als zelden het geval was, maakte Gianna een avondwandeling over het Terrein, waar een serene stilte heerste. Toch hing er iets in de lucht wat haar benauwd maakte en alert hield ze haar ogen open. Gianna liep door en er leek niets aan de hand te zijn, totdat ze plotseling een vreselijke schreeuw hoorde vanuit het dorp. Ze kon niets anders dan erheen rennen en ze was niet de enige. Een aantal mannen, waarvan ze er één herkende als meneer Olivander, die toverstokken maakte, vloog naar de plek naar waar ook zij op weg was en daar aangekomen sloeg ze haar hand voor haar mond en wilde ze haar ogen bedekken.
“Over uw dochter heeft u niets meer te zeggen. Over uw leven evenmin.”, gonsde in Gianna’s gedachten. Ze keek langs de mannen heen en zag bloedrode voetstappen in de gang. Tranen van angst en wanhoop rolden over haar wangen. Nu er geen schoolhoofd meer was voor Zweinstein, was het verbond met het Genootschap verbroken: zij waren nu vrij de school te verwoesten. En bovendien, het meisje… In haar armen snikte het getraumatiseerde dochtertje van Felix Meir.
 
Gesloten. Heropening.
 
De school werd gesloten. Er kon niet anders besloten worden. Met pijn in haar hart stond Gianna met haar hutkoffer achter het hek en ze keek naar Zweinstein, waar ze met plezier en een warm hart had gewerkt en waar ze zich écht thuis had gevoeld. Dit jaar zal Zweinstein geen Schoolhoofd hebben en misschien zelfs, was dit de laatste keer dat ze Zweinstein zal zien. Hoe blij was Gianna dan ook, toen zij een uil kreeg die beschreef, dat er dan tóch een nieuw Schoolhoofd gevonden was die zo moedig was de school te heropenen. Samen startten professor Chase Bingley en professor Kimberley Baetsen in 1900 het nieuwe schooljaar en met vreugde werd Gianna weer conciërge. Fiacra Shedford keerde ook terug, als Terreinknecht en later ook als professor voor Oude Runen en Transfiguratie. De stemming werd echter weer gespannen toen Zweinstein weer Schoolhoofdloos dreigde te worden, maar professor David Stemmels ving de schade op. Hij was ook degene die Gianna’s gave accepteerde en haar aanstelde als lerares Waarzeggerij, wat Gianna natuurlijk zeer verblijdde. In 1901 deed professor Stemmels echter afstand van zijn functie en machteloos had Gianna zijn afscheid meegemaakt en ze had gezien hoe de nieuwe, jonge hond, professor Daniil Abramov, benoemd werd tot het nieuwe Schoolhoofd.
 
Gianna knikte voor zichzelf toen ze haar essay nogmaals had gelezen en zuchtte diep. Het had haar ontzaglijk veel moeite gekost om dit allemaal op te schrijven. Maar ze was nog niet klaar en ze wilde een nieuwe Ganzenveer pakken, toen ze tot haar verbazing zag, dat de zwarte inkt weggetrokken was en dat de veer zo wit was als even tevoren. Gianna glimlachte terwijl ze de veer in de inkt doopte, denkend: Verdwenen, evenals de donkere wolk die het kasteel in zijn greep hield. Luisterend naar de vrolijke geluiden van haar dochter en haar verloofde op het terrein, schreef ze:
 
Dus, beste lezers, momenteel leeft Zweinstein in rust en vrede. Zelf heb ook ik, zelfs na alle vreselijke gebeurtenissen, weer geluk mogen vinden. Maar ik zal nooit vergeten, hoe wanhopig ik ooit was naar dat gevoel van geluk en liefde. Mijn boodschap aan jullie is, om niet te vergeten hoe fijn het is om op een veilig Zweinstein te zijn en dat aan de fijne tijden een donker verleden vooraf is gegaan.
 
Gianna del’Castro

Navigatie

[0] Berichtenindex

Naar de volledige versie